Top 10 Legendarische dirigenten

© CSA-Printstock

Vanaf welk moment praten we over dirigenten, over echte dirigenten? Hebben we het over Johann Sebastian Bach, Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven, componisten die al dan niet achter het klavecimbel of de fortepiano de uitvoerders van hun werk probeerden te motiveren het zo goed mogelijk te doen? Of meer over Hector Berlioz? Zijn Symphonie fantastique is immers onvoorstelbaar zonder krachtige orkestleider. Nee, de echte orkestleiders, de legendarische dirigenten die musici tot het uiterste dreven en die door te zwaaien met een stokje wereldberoemd werden, dat is een fenomeen dat pas werkelijk vorm krijgt in de laatste kwart van de negentiende eeuw. Vandaar dat deze verder zonder waardeoordeel samengestelde chronologische lijst van tien onmisbare geschiedschrijvers der orkestmennerij daar begint. De enige verdere criteria om in deze context legendarisch genoemd te worden zijn beschikbare en baanbrekende opnamen en een reeds plaatsgevonden overgang van het tijdelijke naar het eeuwige. Nadeel is dat iemand als Bernard Haitink zo buiten de boot valt, voordeel is dat de toch vaak onmogelijke keuzes enigszins beperkt worden.

Arthur Nikisch

Natuurlijk kan een lijst met legendarische dirigenten niet zonder de Hongaar Arthur Nikisch (1855-1922). De man die aan het begin van de twintigste eeuw chef-dirigent was van zowel het Gewandhausorchester als de Berliner Philharmoniker geldt als de ‘aartsvader’ van de moderne dirigent. De wijze waarop hij alleen al met zijn ogen het orkest ‘hypnotiseerde’ was een inspiratiebron voor grootheden als Arturo Toscanini en Leopold Stokowski. Bovendien nam hij in 1913 de Vijfde Symfonie van Beethoven in zijn geheel op met de Berliners. Deze opname was niet de eerste, die kwam op naam van Friedrich Kark en het Berlijnse Odeon Symfonie Orkest, het werd wel de meest beroemde uit het vroegste tijdperk van de grammofoonindustrie.


Arturo Toscanini

Arthur Nikisch geldt als de man die het moderne symfonieorkest vorm gaf. Maar de Italiaan Arturo Toscanini (1867-1957) is het prototype van de aloude maestro, de dictatoriale chef die zijn musici onder de duim heeft en met alle roem en eer gaat strijken. Bij Toscanini was het verdiend. Hij maakte een goed lopend bedrijf van La Scala, hij deed hetzelfde met de Metropolitan Opera en hij maakte furore met de New York Philharmonic en het speciaal voor hem opgerichte NBC Symphony Orchestra. Hij leidde de wereldpremière van Puccini’s La Bohème en Turandot en zijn registratie van Debussy’s La Mer gold decennialang als standaardopname. Niet zo gek: waar veel dirigenten in de vroege twintigste eeuw partituren graag naar hun hand zetten, was voor Toscanini trouw aan de geschreven noten een zaak van leven en dood.


Willem Mengelberg

Wat trouw aan de partituur betreft, was Willem Mengelberg in zekere zin de tegenpool van Toscanini. Hoewel de man die van het nog jonge Concertgebouworkest een wereldensemble maakte, zeker in Nederland van grote betekenis was voor componisten als Gustav Mahler en Richard Strauss, had hij over partituren van inmiddels overleden componisten zo zijn eigen ideeën. Neem zijn zeer romantische en gecoupeerde uitvoeringen van bijvoorbeeld Bachs Matthäus Passion. Ook zijn zeer romantisch gebruik van rubato onderscheidt Mengelberg van iemand als Toscanini, met wie hij als gastdirigent van de New York Philharmonic enige tijd direct te maken had. Hoewel Mengelberg veel goed deed, onder andere de Matthäus-traditie in Nederland mede installeerde en nog steeds beschouwd wordt als een van de grootste dirigenten van de twintigste eeuw, is zijn opportunistische houding tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende uitsluiting van alle functies in het Nederlandse culturele leven vanaf 1945 nog steeds een smet op zijn blazoen.


Leopold Stokowski

Als we het over aanpassen van een partituur en de successen van Toscanini en Mengelberg in de Verenigde Staten hebben, kunnen we uiteraard niet om Leopold Stokowski (1882-1977) heen. De Britse dirigent van Iers-Poolse ouders was niet te beroerd om partituren van Bach tot Stravinsky naar zijn hand te zetten. Zo werd hij de peetvader van de romantisch orgelende Stokowski- of Philadelphia-sound, die later vele Hollywood-filmscores zou bepalen. Stokowski was daarbij de eerste dirigent die de media wist te bespelen en zo meer aandacht voor de muziek wist te creëren. Zijn glansrol bij de Disneyklassieker Fantasia hielp natuurlijk ook. Toch was Stokowski meer dan een showman en een onverbeterlijke rokkenjager. Zo brak hij met het Cincinnati Orchestra, waar hij in 1909 als jongste chef ooit benoemd werd, een lans voor componisten als Mahler, Sibelius en Rachmaninov en verzorgde hij de première van werken als de Vierde Symfonie van Charles Ives, Amériques van Edgard Varèse en het Pianoconcert van Arnold Schönberg.


Wilhelm Furtwängler

Om iets tegenover de glamour te zetten die onherroepelijk kleeft aan namen als Toscanini en Stokowski en de muziek waar het allemaal om draait weer centraal te stellen, mag Wilhelm Furtwängler (1896-1954) hier niet ontbreken. Hij haatte de langspeelplatenindustrie en brak in alles een lans voor de live-uitvoering en de emotionele waarde van de muziek. De man die vooral naam maakte als Beethovendirigent en advocaat van de Duitse romantische traditie, ging zelfs zover, dat hij toen de nazi’s in Duitsland aan de macht kwamen besloot te blijven dirigeren, omdat hij vond dat muziek de kracht had om iedere luisteraar te veranderen en ‘normale spirituele en menselijke waarden bij te brengen’. Dat hij dirigent bleef van zowel het Gewandhausorchester als de Berliner Philharmoniker, waar hij in beide gevallen in 1922 Arthur Nikisch opvolgde, en dat hij eind jaren dertig belangwekkend bijdroeg aan de Salzburger Festspiele, Bayreuth en de Wiener Philharmoniker, werd hem uiteindelijk zowel door de nazi’s als de tegenstanders van het regime niet in dank afgenomen. Het kostte hem een benoeming bij zowel de New York Philharmonic als het Chicago Symphony Orchestra.


Herbert von Karajan

In de tijd dat Furtwängler meer en meer onder vuur kwam te liggen, ontstond er ruimte voor een jonge Oostenrijkse dirigent met Griekse voorouders: Herbert von Karajan (1908-1989). Zijn opportunisme bracht hem in de jaren dertig, met dank aan zijn nazi-lidmaatschap, bij de Berliner en Wiener Philharmoniker en bij de Salzburger Festspiele. Zijn onmiskenbare kwaliteit bracht hem na de Tweede Wereldoorlog al snel rehabilitatie en in 1955 volgde hij Furtwängler op als chef van de Berliner Philharmoniker. In de jaren daarna drukte hij ook zijn stempel op de Wiener Philharmoniker en op de Salzburger Festspiele die hij vanaf 1960 tot zijn dood in 1989 leidde. Het Concertgebouworkest liet Von Karajan overigens na zijn debuut aldaar in 1938 volledig links liggen. Desondanks schreef hij geschiedenis als de man die de Berliner Philharmoniker groter dan groot maakte en die de klassieke langspeelplatenindustrie volledig naar zijn hand zette. Met zijn voorliefde voor het grote klassieke en romantische repertoire werd hij de eerste echte klassieke ‘bestselling artist’. Uiteraard was dat niet alleen te danken aan zijn twijfelachtige charisma, maar ook aan zijn dwingende directie en, toegegeven, opwindende visie op vele grote werken.


Leonard Bernstein

Terwijl Herbert von Karajan uitgroeide tot een even onaantastbare als onbereikbare maestro, stond er in de Verenigde Staten een tien jaar jongere evenknie op, die zich ondanks zijn legendarische woede-uitbarstingen ontwikkelde tot de klassieke knuffelbeer van volk en vaderland. Leonard Bernstein (1918-1990) was een man van extremen. Hij was net zo makkelijk thuis in highbrow twaalftoonsmuziek als in Broadwaymusicals en hij was er vooral op uit om de emotie achter de noten over te brengen. Hij begreep de media, en met zijn Young People’s Concerts bracht hij zowel in de concertzaal als op tv velen van acht tot tachtig (en ouder) de liefde voor de klassieke muziek bij. Ondertussen stuwde hij onder andere de New York Philharmonic en de Wiener Philharmoniker op tot grote hoogten. Hij bleek onmisbaar als aanjager van de naoorlogse populariteit van onder anderen Mahler en Sjostakovitsj. Desondanks blijft hij bij het grote publiek waarschijnlijk voor altijd de man achter de West Side Story.


Pierre Boulez

Eigenlijk was Pierre Boulez (1925-2016) nimmer een dirigent van het kaliber Von Karajan, Bernstein, Toscanini. Dat de Franse componist en orkestleider hier toch een plek verdient, heeft alles te maken met het feit dat hij de meest vooraanstaande componist-dirigent van de twintigste en vroege eenentwintigste eeuw is die niet alleen zijn eigen werk briljant dirigeerde, maar ook voor componisten als Stravinsky, Bartók, Ravel, de Tweede Weense School en Gustav Mahler van onschatbare waarde was. Opnamen als die van Stravinsky’s Sacre, Debussy’s La Mer en Ravels Pianoconcerten behoren nog steeds tot de schoolvoorbeelden van aanstekelijke helderheid en ritmische precisie. Bovendien gaf hij Parijs met het IRCAM (Institut de Recherche et Coordination Acoustique/Musique) en Ensemble InterContemporain een waar laboratorium voor de hedendaagse muziek.


Nikolaus Harnoncourt

Hoewel hij in zijn laatste jaren steeds meer maestrotrekjes kreeg, is ook Nikolaus Harnoncourt (1929-2016) net als Pierre Boulez geen prototype ‘grote dirigent’. Deze Oostenrijker die in zijn jonge jaren nog onder leiding van onder anderen Herbert von Karajan in de Wiener Symphoniker speelde, groeide met zijn eigen Concentus Musicus Wien eerst uit tot een van de boegbeelden van de historische uitvoeringspraktijk voordat hij vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw de klank van het traditionele symfonieorkest in het klassieke repertoire drastisch veranderde. Vooral met het Koninklijk Concertgebouworkest schreef de man, die samen met Gustav Leonardt de eerste was die alle cantates van Bach opnam, geschiedenis. Hij stond bijna driehonderd keer voor het orkest en werd in 2000 benoemd tot ‘honorair gastdirigent’. Zijn uitvoeringen van de symfonieën van onder anderen Beethoven, Schubert, Brahms en ook Dvořák gelden nog altijd als memorabel.


Carlos Kleiber

Hij is zowel de meest geniale dirigent in dit rijtje, maar ook meteen de meest beperkte, of, anders gezegd, zichzelf beperkende, orkestleider. Daarom is Carlos Kleiber (1930-2004) een naam die vooral bij kenners en fijnproevers een niet aflatend respect afdwingt. Bovendien geldt hij onder dirigenten als het meest inspirerende voorbeeld aller tijden. En dat terwijl deze zoon van de bijna even grote dirigent Erich Kleiber in eerste instantie voorbestemd was voor een wetenschappelijke carrière. Pas nadat het deels joodse gezin tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgeweken was naar Argentinië, vond de tot Carlos omgedoopte Karl zijn weg in de muziek. En hoe! Of het nu het juk van zijn vader was of zijn eigen perfectionisme, hij ging zijn eigen weg met een zeer beperkt repertoire, weigerde het aanbod van de Berliner Philharmoniker om niemand minder dan Herbert von Karajan op te volgen en maakte een onuitwisbare indruk met onder andere Tristan und Isolde van Wagner en Der Rosenkavalier van Strauss. En de wijze waarop hij zowel in 1989 als in 1992 de Wiener Philharmoniker op sleeptouw nam tijdens het traditionele Nieuwjaarsconcert geldt nog steeds als de maat voor alle nieuwjaarsconcerten.


Claudio Abbado

Dankzij het voorbeeld van Carlos Kleiber en ook dat van de Italiaan Claudio Abbado (1933-2014) lijkt het er steeds meer op dat de ‘grote Maestro’ die in de twintigste eeuw de reputatie van een symfonieorkest bepaalde aan het uitsterven is. Abbado was tenminste het tegendeel van de flamboyante dirigent. Enigszins verlegen, introvert, bescheiden en altijd in dienst van de muziek. Waarschijnlijk was het slechte voorbeeld dat hij kreeg toen hij als jonge jongen in de Scala Toscanini tijdens repetities naar het orkest hoorde schreeuwen voldoende om hem het metier anders te laten aanpakken. En dat terwijl hij ook enige tijd assistent was van Leonard Bernstein bij de New York Philharmonic en onder de vleugels van Von Karajan voor de Wiener Philharmoniker werd gezet. Abbado was en bleef een bescheiden democraat die leefde voor de muziek. Dat deed hij als chef van de Scala, als opvolger van Von Karajan bij de Berliner Philharmoniker en als geestelijk vader van het European Union Youth Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe en het Gustav Mahler Jugendorchester. Zijn discografie met al deze orkesten is ondertussen even omvangrijk als veelzijdig en belangwekkend.


BONUS

Antonia Brico

Omdat het niet onvermeld mag blijven eindigt deze top tien met een vrouwelijk post scriptum. Het zal niemand ontgaan zijn dat de legendarische dirigenten van de twintigste eeuw allemaal mannen zijn. Dat heeft alles te maken met de patriarchale samenleving en het feit dat men het lange tijd not done vond dat een vrouw als leider voor het orkest stond. De van oorsprong Rotterdamse Antonia Brico (1902-1989) wist daar alles van. De film De Dirigent is, hoewel geromantiseerd, een aardige weergave van de tegenwerking die zij kreeg, ook al stond ze voor onder andere de Berliner Philharmoniker en de San Francisco Symphony. Net als de eveneens Nederlandse Frieda Belinfante (1904-1995) en de Franse pedagoge en dirigente Nadia Boulanger (1887-1979) was zij een pionier die de weg effende voor een legendarische dirigenten top-10 die er over honderd jaar vast heel anders uit gaat ziet. Dan zou er zo maar geheel terecht iemand als Karina Cannelakis, de eerste vrouwelijke chef-dirigent op Nederlandse bodem, of Barbara Hannigan, de zingende dirigente die onder andere met Ludwig furore maakt, tussen kunnen staan.