Snapshot Klassiek Hulde aan het anderhalvemeterorkest

© iStock

Cécile Huijnen is violiste. Ze heeft een duo Huijnen & Hopman, is concertmeester van het Phion, is solist en maakt kamermuziek. Daarnaast is zij gastpanellid bij het radioprogramma Diskotabel. Cécile schrijft korte verhaaltjes over het dagelijks leven van een musicus die een kijkje in de keuken bieden. Het zijn columns met een knipoog, over vooroordelen, imago, achtergronden en de rock & roll van de klassieke muziek. Iedere twee weken op vrijdagavond kun je haar nieuwe column beluisteren op NPO Radio 4 en lezen op Classics To Go.

Hulde aan het anderhalvemeterorkest

Iedere beperking levert iets op. Vervoerstechnisch bijvoorbeeld, afgelopen zomer.

Vanwege een kapotte airco moest mijn autoraam open. Lekker. Een herinnering aan vroeger, toen ik in mijn ouwe brik 1200 kilometer reed naar de Provence, met mijn hoofd in de wind. Ik voelde me een vrouw van de wereld. Een lekke fietsband in Amsterdam dwong tot wandelen en opeens was daar die koffietent. Geweldige cappuccino. Zalige taart. Dubbele portie besteld, logisch.

Een coronaproof orkest is ook beperkt. We klagen steen en been. In plaats van een symfonieorkest zit er een kamerorkest, op een uitgebouwd podium om veilige afstand te garanderen. Dus iedereen zit gigantisch ver weg. Je mist het referentiekader van de spelers om je heen, er is geen steun van voor of achter. Een flinke stap uit onze comfortzone. Samenspelen door goed te luisteren is geen optie, dan ben je te laat. Je kunt dus niet vertrouwen op je gehoor, het meest essentiële orgaan in ons vak. Hoe raar is dat.

Maar die anderhalve meter is ook best lekker.
BEST LEKKER?

Ja. Laten we het eens over de voordelen hebben.

De collega wiens knoflookaardappelen van gisteravond uit al zijn poriën dampen, die ruik je niet. Je hoeft geen lessenaar en bladmuziek te delen. Dus geen last van rare vingerzettingen die je buurman erin heeft gekalkt. De collega die minimaal twee vierkante meter bewegingsruimte nodig heeft kan nu tekeergaan zonder dat je van je stoel wordt gestreken. En gezellig zitten kletsen is er niet meer bij. Of je moet er decibellen tegenaan gooien maar dat levert boze blikken op. Dus het is rustig, heerlijk rustig. En oja, fanatieke dirigenten spugen en transpireren niet meer in mijn gezicht. Hehe.

Ogen en individueel initiatief zijn nu de primaire tools. Voor sommige collega’s niks nieuws omdat ze altijd al ver weg en in hun eentje op een eiland zitten. Paukenisten en harpisten anticiperen continu. De paukenist is eigenlijk de assistent-dirigent, maar dan achterin. Hij leidt, en de rest timet op hem. Althans, dat is de bedoeling.
Nu moet iederéén zo spelen.

Aanvoerders doen het ook al, initiatief nemen hoort bij je functie. Maar spelers in de groep zijn gewend om mee te gaan in de flow. Nu hoor je voornamelijk jezelf, en dat is griezelig. Het gaat goed op één voorwaarde: je moet de noten uit je hoofd kennen, zodat je altijd boven je lessenaar uit kan kijken naar de dirigent en je aanvoerder. Kijk je niet, dan ben je de Sjaak. Maar Sjaak of niet, het is wel leerzaam.

De maatregelen áchter de schermen zijn ook onverbiddelijk. Op het irritante af. We pakken op aparte plekken uit en in, en gaan in kleine groepen op en af. De pauzes zijn ronduit ongezellig, we doen ons bakkie meters uit elkaar. Maar alles went. Het is veilig, en we spelen. Allemaal. Ook collega’s in de risicogroep.

Er zijn meer voordelen. Programmeurs en artistieke teams hebben in recordtempo een compleet nieuwe programmering uit de grond gestampt. Bekende en onbekende juweeltjes zijn aan hun brein ontsproten. Kansen en uitdagingen dus voor kleinere formaties, die kunnen excelleren in repertoire dat weinig of niet gespeeld wordt.

Iedere beperking levert iets op. Als je het wil zien.
En leg Anderhalvemeterorkest eens op je scrabblebord. Geheid een winner.


Lees en luister ook