Componist De Engelse virginalisten

Het debuut van de Amerikaanse pianist Kit Armstrong op Deutsche Grammophon is om meerdere redenen opmerkelijk. Niet alleen besteedt hij onder de titel William Byrd · John Bull – The Visionaries of Piano Music aandacht aan de nog altijd op de internationale podia veronachtzaamde Engelse virginalisten, ook speelt hij de werken van Byrd en Bull op een gewone concertvleugel, wat zelden voorkomt. Wie zijn die Engelse virginalisten en past hun werk wel bij de canon van de internationale pianoliteratuur?

Dat Kit Armstrong met een dubbel-cd vol werk van William Byrd en John Bull komt, is voor de liefhebbers die hem al enkele jaren volgen niet zo’n verrassing. Al in 2016 speelde hij in het Amsterdams Concertgebouw een programma met werk van deze componisten naast dat van Sweelinck en de Goldberg Variaties van Johann Sebastian Bach, een recital dat ook op dvd is verschenen. Het programma was niet zomaar een selectie van mooi bij elkaar passende werken, maar een college over het belang en de invloed van de Engelse virginalisten.

De verwarring rond het virginaal

Laten we om dat belang te beschrijven eerst even teruggaan naar het instrument van deze zestiende-eeuwse Engelse ‘school’, het virginaal. Er bestaat veel verwarring over het instrument en dat is niet zo gek. Het virginaal is van oorsprong net als het spinet een voorloper van het klavecimbel. Het instrument onderscheidt zich van zijn bekendere ‘grote broer’ door de plaatsing van de snaren. Deze liggen haaks op de toetsen. Het virginaal lijkt daardoor uiterlijk op het klavichord. Maar waar bij het klavichord een messing plaatje tegen de snaar slaat, wordt bij het virginaal de snaar, net als bij het klavecimbel, getokkeld. De verwarring over het instrument is ontstaan omdat in de zestiende eeuw de term virginaal ook en vooral in Engeland werd gebruikt om elk aangeslagen of aangetokkeld toetsinstrument te benoemen, om het even of het nu een spinet, virginaal, klavichord of klavecimbel was. De Engelse virginalisten schreven hun muziek daarom niet specifiek voor het virginaal, maar voor elk destijds voorkomend toetsinstrument.

Elizabeth I

De bloeitijd van de Engelse virginalisten ligt in de tweede helft van de zestiende eeuw en de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw. Naast de vaandeldragers Byrd en Bull kunnen we ook componisten als Byrds leermeester Thomas Tallis, Bulls collega in Antwerpen Peter Philips, Orlando Gibbons en Thomas Morley tot deze groep rekenen. Dat deze componisten met hun instrumentale muziek zoveel succes konden hebben, dankten zij aan koningin Elizabeth I, die Engeland niet alleen grotendeels vrij van oorlogen hield, maar ook zorgde dat kunst en cultuur kon floreren.

Dat had weer alles te maken met de houding van koningin Elizabeth jegens de paus en het katholieke geloof. Net als haar vader Hendrik VIII besloot Elizabeth, na de korte katholieke periode onder Maria Stuart, de protestantse Anglicaanse kerk weer tot staatskerk te benoemen. Dat kwam haar op veel vijandigheid van de toenmalige paus Pius V te staan, die haar in 1570 excommuniceerde. Hoewel Elizabeth de nog steeds geldende wet in het leven riep dat het Engelse staatshoofd niet katholiek mag zijn en niet met een katholiek mag trouwen, was zij niet wraaklustig en mild voor de katholieken in haar eigen land. Ze werden niet officieel tot ketters veroordeeld en konden hun geloof, zolang dat niet al te open en bloot gebeurde, gewoon blijven praktiseren.

Nationalisme

Deze houding van de koningin wakkerde juist een sterk gevoel van nationale trots aan. Dat gevoegd bij de liefde die Elizabeth al jong had voor onder andere muziek en literatuur schiep een klimaat waarin Engelse kunstenaars zoals William Shakespeare konden floreren. Op muziekgebied leverde de morele en vaak ook actieve steun van Elizabeth een aantal typisch Engelse zaken op zoals het consort (het ensemble van instrumenten uit doorgaans dezelfde instrumentfamilie), het Engelse luitrepertoire met de door de koningin persoonlijk aan de muzikale hofhouding toegevoegde John Dowland als kopstuk, en de Engelse virginalisten. Ook deze virginalisten schiepen een geheel eigen repertoire waarin vooral de variatievorm en specifieker de variaties over een steed herhalende basdeuntje, de ground, het meest opvallend is. De belangrijkste virginalisten, William Byrd en John Bull, schopten het beiden tot organist en Gentleman van de Londense Chapel Royal, het koninklijke koor.

William Byrd

De Engelse componist William Byrd (ca. 1540-1623) was al jong vertrouwd met de imposante Chapel Royal in Londen. Daar kreeg hij als kind al les van de grote Thomas Tallis, de man van dat indrukwekkende veertigstemmige motet Spem in Alium. Tallis leidde Byrd op tot een meer dan uitstekend organist en componist die in 1569 benoemd werd tot Gentleman van de Chapel Royal. Toch was het pas in 1572 dat Byrd er, naast Tallis, daadwerkelijk aan het werk ging als organist. In 1575 kreeg hij net als zijn leermeester van Elizabeth I een vergunning om zijn eigen muziek uit te geven, een groot privilege in die tijd. En opmerkelijk dat Byrd dat kreeg. Hij was en bleef namelijk een overtuigd katholiek en werd herhaaldelijk vervolgd. Omdat hij zonder enig onderscheid zowel voor de katholieke als anglicaanse eredienst bleef componeren en dat verdraaid goed deed en bovendien even indringende als spectaculaire klavierwerken afleverde zoals The Second Ground en The Battle, hield Elizabeth, een fervent bespeler van toetsinstrumenten, hem herhaaldelijk de hand boven het hoofd.

John Bull

Ook John Bull (1562/3-1628) nam het niet zo nauw met de geloofskwesties. Hij had alleen de pech dat hij te maken had met de opvolger van de in 1603 overleden Elizabeth, James I, en met de wraaklustige Aartshertog van Canterbury. Mede omdat hij nogal opzichtig uit zou komen voor zijn katholieke geloof nagelde de aartshertog hem aan de schandpaal met de woorden: ‘deze man heeft meer muziek in zich dan eerlijkheid en is net zo beroemd om het ontsieren van de maagdelijkheid als om het bevingeren van orgels en virginalen.’ Bull wachtte de verschillende processen die hem boven het hoofd hingen niet af en vluchtte in 1613 naar Antwerpen waar hij naast zijn landgenoot Peter Philips organist werd van de plaatselijke kathedraal.

Bull had toen al zijn stempel gedrukt op de Engelse klaviermuziek. Mede omdat hij lange tijd de favoriete componist van koningin Elizabeth was. Zij benoemde hem in 1591 tot organist van de Royal Chapel en zij zorgde er in 1596 persoonlijk voor dat Bull de eerste ‘professor of music’ werd aan het Gresham College. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met de waardering van Elizabeth voor de virtuositeit van Bull. Hoewel hij ook anthems en andere werken schreef, groeide hij uit tot de belangrijkste componist van klaviermuziek van zijn tijd die, mede door zijn werk in Antwerpen, in een groot deel van het Europese vasteland gekend en erkend werd.

De invloed van Byrd en Bull

De historische lijn die Kit Armstrong bij zijn recital in 2016 trok van Byrd en Bull via Sweelinck naar Bach is daarom absoluut niet op drijfzand gebaseerd. Het werk van de Engelse virginalisten werd al snel door Europa verspreid via verzamelingen van klavierwerken zoals de in 1612 uitgeven Parthenia en de collectie die sinds de vroege negentiende eeuw bekend staat als het Fitzwilliam Virginal Book met vooral vele werken van William Byrd. Bovendien schijnt Bull Sweelinck ontmoet te  hebben in Antwerpen. Hij schreef zelfs een mooie Fantasie over een fuga van Sweelinck. En aangezien Sweelinck een voornaam leermeester was van enkele voorlopers van Bach zit het DNA van de Engelse virginalisten diep verankerd in diens werk. Vooral in zijn variatiekunst, want Bull en Byrd blonken net als de andere virginalisten uit in hoogstaande variatietechnieken zoals in John come kiss me now van Byrd en de dertig variaties over Walsingham van Bull. Wat dat aangaat zijn Bachs Goldberg Variaties geen toevalstreffer.

Wortels

Het zijn deze stukken die, naast gestileerde dansen waarin de Engelse volksmuziek voelbaar is zoals Byrds The Bells en Bulls Melancholy Pavan, een vaste plaats verdienen in de canon van het Westerse klavierrepertoire. En Armstrong bewijst met alle vrijheden die hij neemt omstandig dat deze muziek inderdaad fantastisch klinkt op de moderne concertvleugel. Logisch, want de wortels van de Europese klaviermuziek halen hun voeding bij deze pioniers; zonder Byrd en Bull had de Europese klaviermuziek ongetwijfeld heel anders geklonken.

 


meesterwerk-goldberg-vk_220x220Lees en luister ook