Componist Camille Saint-Saëns

Camille Saint-Saëns

Deze Franse romanticus combineerde elegante vormen met melodische allure in zijn orkest- en kamermuziek.

Wonderkind Saint-Saëns

‘Ik componeer muziek zoals een boom appels voortbrengt,’ zei Camille Saint-Saëns eens. Als wonderkind, virtuoos pianist en bedreven schrijver van reisverhalen belichaamde de productieve Franse componist de geest van het classicisme, en dat in een tijdperk van hoog-romantische creativiteit. Toch overweldigen de elegantie en formaliteit van zijn muziek nooit de bezieling en spontaniteit die zijn composities zo onweerstaanbaar maken.

Saint-Saëns was trots op de Normandische wortels van zijn familie, maar omdat zijn vader al voor Saint-Saëns’ geboorte naar Parijs was verhuisd, was Camille door en door Parijzenaar in zijn opvoeding en opvattingen. Nadat zijn vader aan tuberculose stierf, werd de componist opgevoed door zijn moeder en een tante. Zij zagen in hem de tekenen van genialiteit en moedigden zijn talent aan. Zo kwam het dat hij al op zijn vierde composities op papier zette en op zijn vijfde een openbaar concert gaf, waarbij hij de pianopartij vertolkte van een vioolsonate van Beethoven.

Op zijn tiende speelde Saint-Saëns goed genoeg piano om twee concerto’s en verschillende solostukken uit te voeren tijdens een legendarisch concert in de Salle Pleyel in Parijs. Een studie aan het conservatorium volgde, waarna hij naast het componeren begon aan een solocarrière als concertpianist. Verder vulde hij zijn agenda met orgel spelen in prestigieuze Parijse kerken, waar zijn ontzagwekkende improvisatie-vaardigheden de kans kregen om te floreren. In de jaren 1860 gaf Saint-Saëns een tijdje les aan de École Niedermeyer, een alternatief voor het conservatorium dat meer de nadruk legde op oude muziek. Onder meer de componisten Gabriel Fauré en André Messager behoorden er tot Saint-Saëns’ studenten.

Intellectuele omnivoor

Zijn hele leven was Saint-Saëns een intellectuele omnivoor, vooral in de wetenschappen. Hij kon boeiend schrijven over een breed scala aan onderwerpen. Tegelijkertijd was hij een onmisbaar figuur in de Parijse muziekleven. In 1871 was hij de drijvende kracht achter de nieuwe Société Nationale de Musique. Deze vereniging had als doel om Franse instrumentale muziek te promoten op een moment dat Duitse muziek steeds meer aan populariteit won en Parijs geobsedeerd was door opera. Later wierp Saint-Saëns zich op als tegenstander van de invloed van Wagner en daarna van Debussy.

Onder componisten genoot Saint-Saëns niet alleen het respect van Fauré, maar ook dat van Maurice Ravel en de daaropvolgende generatie componisten, aangevoerd door Francis Poulenc. Saint-Saëns was duidelijk een van de grote musici van zijn tijd. Zijn composities zijn de vrucht van een lenig brein, dat onverwachte kleuren vond in vertrouwde instrumenten en de standaard compositievormen op originele manieren benaderde.

Lichtvoetige pianoconcerten

Saint-Saëns’ kwaliteiten zijn op hun scherpst in zijn vijf lichtvoetige pianoconcerten. Het Tweede, het meest uitgevoerde, opent met een Bach-achtig thema en vervolgt zijn weg met steeds grotere snelheden. In het Vierde smelten de vier delen samen tot twee paren, verbonden door een briljant weefsel van muzikale thema’s. Het Vijfde zit vol exotische klankeffecten en herinneringen aan Egypte (hij schreef het stuk in Luxor, beroemd om zijn verwoeste tempels), en eindigt met een ragtime stoeipartij.

Met Le Rouet d’Omphale (Het draaiende wiel van Omphale, 1871) componeerde Saint-Saëns het eerste Franse symfonische gedicht. En met zijn laatste symfonie uit 1886 deed hij een nieuwe Franse interesse ontbranden in de symfonie als compositievorm. Deze Derde symfonie, ook bekend als de ‘Orgelsymfonie’ groeit vanuit twee korte thema’s uit tot een spectaculair en rijkelijk georkestreerd hoogtepunt met alsmaar versnellende ritmes.

Een van de meest pakkende stukjes uit de Derde symfonie, een kabbelend pianoduet boven  strijkersharmonieën, recyclede Saint-Saëns in zijn orkestsuite Carnaval des Animaux (‘Carnaval van de dieren’): het werd het deel met de titel ‘Aquarium’. Tijdens zijn leven stond Saint-Saëns alleen toe dat deze satirische orkestsuite privé werd uitgevoerd, omdat hij bang was dat het luchthartige karakter van deze muziek zijn reputatie als serieuze componist zou aantasten. Slechts één deel mocht in de openbaarheid klinken: ‘De zwaan’, voor solo-cello en twee piano’s.

Emotionele remming

De lyrische melodie van ‘De zwaan’ heeft een diepgang die ongebruikelijk is voor Saint-Saëns. Zowel muzikaal als persoonlijk had de componist last van een emotionele remming, die de echt gevoelvolle momenten in zijn werk beteugelde. Opera, met al zijn menselijke en dramatische dimensies, was voor Saint-Saëns een continue strijd. Hij had bijvoorbeeld grote moeite om de opera Samson et Dalila op de planken te krijgen. Dat lukte pas toen zijn vriend Franz Liszt in 1877 hem te hulp schoot met een succesvolle productie in Weimar. Samson et Dalila werd al snel vaste prik bij de Parijse Opéra, maar met latere opera’s zou Saint-Saëns dat succes lang niet evenaren.

Zelfs Samson et Dalila, vandaag de dag nog altijd populair, steunt vooral op twee aria’s die het karakter van Dalila goed verklanken als een complexe mix van sensualiteit en intrige. De rest van de muziek van deze opera ligt prettig in het gehoor, maar het verhaal is te arm voor sensationeel theater. Ja, de tempel wordt op het hoogtepunt met de grond gelijkgemaakt, maar iedereen wist dat dit hoe dan ook zou gebeuren, het publiek kende immers het Bijbelverhaal.

Nadat hij de Société Nationale had opgericht, leefde Saint-Saëns nog een halve eeuw. Zo was hij getuige van de grote bloei van de Franse kamermuziek in die periode, onder leiding van zijn leerling Fauré. Niet alles was echter naar zijn smaak. Toen Saint-Saëns de première bijwoonde van César Francks Pianokwintet (1880), dat aan hem was opgedragen, liet hij na afloop de eerder gekregen partituur achter op de piano. Blijkbaar was de gepassioneerde muziek, geïnspireerd door Francks controversiële liefdesgevoelens voor een leerlinge, te veel voor hem. Zelf leverde Saint-Saëns belangrijke bijdragen aan het kamermuziekrepertoire, waaronder sonates voor viool en cello en een prachtig Septet met solotrompet. Aan het eind van zijn leven begon hij aan een serie sonates voor houtblazers. In deze expressieve werkjes toont hij een diep begrip van de mogelijkheden van deze instrumenten. De stukken behoren tot zijn meest volmaakte composities.


Aanbevolen opnames: luister op Spotify


top 10 pianoconcerten 220Lees en luister ook