In de spotlights Jóhann Jóhannsson

© Jónatan Grétarsson / DG

Begin februari overleed één van de meest gevraagde componisten van deze tijd, Jóhann Jóhannsson. Hij was pas 48 jaar. De componist, geboren in het IJslandse Reykjavik, gooide internationaal hoge ogen, onder andere vanwege zijn melancholische stijl en multi-inzetbaarheid. Het is opmerkelijk dat een geïsoleerd eiland als IJsland met ongeveer evenveel inwoners als de stad Utrecht zoveel internationaal muziektalent voortbrengt. Naast alternatieve popzangeres Bjørk en de theatrale ervaringsband Sigur Rós, kan Jóhann Jóhannsson worden gezien als één van IJslands meest succesvolle artiesten. En dan te bedenken dat het eiland pas vanaf 1950 zijn eerste symfonieorkest kende

Nietigheid

Langgerekte landschappen, besneeuwde bergtoppen, een zware storm en kletterende hagelval, het werk van Jóhannsson roept als vanzelf beelden van de IJslandse natuur op. Luister naar zijn muziek en een gevoel van nietigheid overvalt je. Toen hij begin deze eeuw het toneel beklom sloeg zijn werk in als een bom. Zijn muziek bleek ook op plekken in de wereld aan te slaan waar nooit ijs of sneeuw te bekennen is. Het bijzondere was dat Jóhannsson vrijwel direct ook buiten de klassieke muziekwereld indruk wist te maken. Zo werd hij in 2014 genomineerd voor een Oscar met de filmscore voor The Theory of Everything.

Divers, interdisciplinair en eigentijds

De kracht van Jóhannsson zit in zijn ijzingwekkende muziek maar ook in zijn diversiteit als componist. Zo componeerde hij naast eigen werken als Virðulegu Forsetar en Orphée, ook voor films, theaterstukken en dansvoorstellingen. Zijn muziekcarrière begon zelfs als toetsenist en producer van een synthpopband, met muziek die nog het meest doet denken aan het postpunkgeluid van Joy Division. Al op jonge leeftijd dacht hij bovendien na over de koers van muziek, bijvoorbeeld door een organisatie op te richten die zich inzette voor meer interdisciplinariteit in de muziekindustrie.
Jóhannsson was dus van alle markten thuis. Hij hield ervan om voor grote orkestbezettingen te componeren, maar vond een symfonisch geluid op zichzelf niet genoeg. Hij vermengde zijn arrangementen daarom met elektronische muziek en voorzag klassieke instrumenten van technische effecten. Daardoor klinkt het werk van Jóhannsson eigentijds.

Engelenkind

De mix van traditionele en hypermoderne elementen is een terugkerend thema in zijn oeuvre. Al op zijn debuutalbum Englabörn uit 2002 – oorspronkelijk gecomponeerd voor een toneelstuk – is die stijl herkenbaar. Het album is nu in een heruitgave verschenen. Hoewel de lancering al was gepland voor zijn dood, voelt het album als een terugblik op Jóhannssons rijke muzikale leven.
Niets meer dan een strijkkwartet, piano, klokkenspel, percussie en orgel vormen de basis van de composities op Englabörn. Maar omdat Jóhannsson een elektronisch gemanipuleerde stem en atmosferische soundscapes toevoegt, krijgen de werken een vervreemdend effect. Het begint al met Odi et Amo – ‘ik heb lief maar kan ook haten’ – waarop een kille computerstem in het Latijn een couplet voordraagt in een droevige melodie. Een intensere opening is bijna niet te bedenken. Het thema van Odi et Amo keert vervolgens meerdere keren terug. Juist door het repetitieve karakter van het album word je meegevoerd op een melancholische stroom.
Het album is om nóg een reden de moeite waard. Bij de heruitgave zit een bonus-cd: Englabörn Variations. Daarop zijn klankmeesters als Paul Corley en Viktor Orri Arnason te horen die geïnspireerd door het album herwerkte composities hebben gemaakt. Het geeft de uitgave nog meer gewicht, omdat het de invloed van de veel te jong overleden componist onderstreept. Het mag een kleine troost zijn dat een nieuwe generatie musici nog lang zal voortborduren op Jóhannssons muzikale nalatenschap.


Aanbevolen opnamen


Lees en luister ook