Het meesterwerk Diabellivariaties

Bijna tweehonderd jaar na hun ontstaan hebben de Diabellivariaties van Beethoven nog niets aan populariteit en grootsheid ingeboet, terwijl het niet zijn gemakkelijkste werk is. Wie zich erin verdiept komt terecht in een wonderlijke wereld van transformaties, dwarsverbanden en verwijzingen. Het werk is een voorbeeld voor elke componist die wil weten wat er mogelijk is met een eenvoudig, wellicht zelfs banaal thema. En pianist Rudolf Buchbinder nam met The Diabelli Project de proef op de som: hij gaf, precies zoals Anton Diabelli het destijds aanpakte, een aantal hedendaagse componisten opdracht een nieuwe variatie op het thema te schrijven.

Schreef Beethoven de Diabellivariaties uit woede, leedvermaak, geldingsdrang? Of was het louter een creatieve uitdaging? Alle opties komen voorbij in de ontstaansverhalen rond dit meesterwerk. De oorsprong van de 33 Veränderungen über einen Walzer von Diabelli, zoals het werk bij de eerste publicatie heette, ligt bij de auteur van de wals: Anton Diabelli. In 1818 begon deze componist samen met een vennoot een muziekuitgeverij in Wenen. Om de nieuwe firma bekendheid te geven bedacht Diabelli een stunt. Hij legde bij een groot aantal componisten, onder wie Schubert, Moscheles, Hummel, Czerny, Beethoven en uiteindelijk ook de nog piepjonge Franz Liszt het verzoek neer een variatie te schrijven op een door hem gecomponeerd thema. In 1824 werd het thema gevolgd door vijftig variaties gepubliceerd door de uitgeverij als het tweede deel van een bundel met de naam Vaterländischer Künstlerverein. het eerste deel werd gevormd door de drieëndertig variaties die Beethoven in zijn eentje had geschreven.

Gepaste trots

Diabelli, zelf een middelmatig componist die vooral voortleeft als schepper van voorspelbare gitaarwerkjes, moet meteen geweten hebben dat hij met Beethovens variatiereeks iets bijzonders in handen had. Hij kondigde de 33 Veränderungen in het voorwoord dan ook met gepaste trots aan en vergelijkt het werk met ‘Johann Sebastian Bachs beroemde meesterwerk in dezelfde vorm’, de Goldbergvariaties:

“Wij presenteren aan de wereld een werk dat niet onder het hoofdstuk gewone variaties valt. Het is een groots en belangrijk meesterwerk dat het waard is gerangschikt te worden naast de onverwoestbare creaties van de oude Klassieken. Een werk dat alleen Beethoven, de grootste levende representant van de ware kunst, alleen hij en niemand anders kan produceren. De meest originele structuren en ideeën, de meest gedurfde muzikale idiomen en harmonieën, ze zijn er in overvloed…”

‘Diabolus Diabelli’

Hoe Beethoven tot zijn omvangrijke set variaties is gekomen, terwijl er maar één gevraagd werd, blijft speculeren. Er werd over het initiatief van Diabelli gesproken, zoveel is zeker. Ook aartshertog Rudolf, financiële steun en toeverlaat van Beethoven, en diens piano- en compositieleerling, was benaderd voor een variatie en heeft er uiteindelijk ook een afgeleverd.

Als we Anton Schindler – de eerste Beethovenbiograaf – moeten geloven, heeft Beethoven tegen zijn mecenas flink wat gemopperd over ‘Diabolus Diabelli’ zoals hij zijn collega geregeld noemde. Beethoven zou het thema van Diabelli slecht gevonden hebben, een thema dat ‘zelfs een schoenlapper nog beter geschreven zou hebben’. Hij zou zich er absoluut niet mee hebben willen associëren, want iedereen die zich met dit project inliet zou zichzelf ‘volkomen belachelijk maken’. Of Schindler gelijk had is de vraag. Beethoven had al vrij snel een grote hoeveelheid variaties in schets gereed, waaronder de complexe fuga die in de uiteindelijke versie variatie nummer tweeëndertig vormt. Dat hij het stuk tijdelijk even aan de kant legde, had waarschijnlijk te maken met het werk aan de Missa Solemnis en zijn laatste drie pianosonates. Pas nadat hem de betaling van het aanzienlijke bedrag van veertig dukaten in het vooruitzicht werd gesteld – mits het werk zo omvangrijk zou zijn als Beethoven had voorgespiegeld – voltooide de componist de reeks in de winter van 1822.

Parodie

Uiteindelijk noemde Beethoven zijn werk geen Variationen maar ‘Große Veränderungen über einen bekannten Deutschen Tanz’. Beethoven buitte het niemendalletje van Diabelli op allerhande compositorische manieren uit. De harmonische structuur en de uitputtende akkoordherhaling in het oorspronkelijke thema, de intervalstructuur, de ritmische mogelijkheden, op vele manieren wist Beethoven de beloften die het stukje van Diabelli in zich had uit te componeren. William Kinderman, een van de grote autoriteiten op het gebied van Beethovens Diabellivariaties, noemt het werk daarnaast ‘één grote parodie’. Zo is variatie 22 een parodie over de aria Notte e giorno faticar uit Mozarts Don Giovanni en parodieert Beethoven Cramers uitputtende vingeroefeningen voor de piano in variatie 23. Bovendien verwijst hij, met respect uiteraard, in de variaties 24 en 32 naar de stijl van Bach en in variatie 33 naar de stijl van Mozart.

Staalkaart

Opvallend is dat de variaties die Beethoven in 1822 toevoegde aan het geheel, veel dichter bij het thema van Diabelli blijven dan de stukken die hij al eerder geschreven had. Het is alsof de componist met de variaties die een plek hebben gekregen als nummer 1, 15 en 25 op gezette tijden in herinnering wil roepen waar de inspiratie vandaan kwam. En dat is toch een vorm van ‘ere wie ere toekomt’, want als Diabelli een componist met een simpel thema weet uit te dagen tot zo’n meesterwerk, dan kan dat thema in de aard zo slecht nog niet zijn.
Inmiddels heeft Anton Diabelli, dankzij de Duitse Beethovenspecialist Rudolf Buchbinder, ook vandaag de dag nog eer van zijn werk. Voor zijn debuutopname voor Deutsche Grammophon nam Buchbinder niet alleen Beethovens Diabellivariaties opnieuw op, hij vroeg ook een elftal componisten variërend van Max Richter tot Rodion Shchedrin en van Tosio Hosokawa tot Jörg Widmann, een hedendaagse variatie op de wals van Diabelli te schrijven. En zo levert dat simpele walsje van Diabelli tweehonderd jaar nadien ook nog eens een beknopte staalkaart van het hedendaags componeren op.


Lees en luister ook