Vergeet het beeld dat je hebt van de oude William Walton en stel je in plaats daarvan een jonge gozer voor, die in de jaren ’20 een symfonie schrijft waarin zijn ingewikkelde privé-leven wordt weerspiegeld. Als jonge componist werd Walton gesteund door Osbert en Edith Sitwell, die de hem voorstelde aan hun vriendenkring. Daartoe behoorde de jonge, rijke weduwe en barones Imma von Doernberg. In 1929 trok hij bij haar in, in Zwitserland.
Walton begon in 1932 aan zijn Eerste Symfonie, met moeite. Barones von Doernberg werd ziek en slokte al zijn aandacht op, waarna ze er met de toentertijd beroemde dokter Tibor Csato vandoor ging. Walton leek er niet lang last van te hebben, hij vond al gauw troost bij een oudere vrouw: Alice, de burggravin van Wimborne. Hij bleef bij Alice tot ze in 1948 aan kanker overleed. Hij voltooide zijn symfonie, gewijd aan de barones, in 1935.
Misschien symboliseren de spanningen in het eerste en derde deel Waltons moeilijke relatie met de barones, en het scherzo (‘Presto con malizia’) een flinke ruzie tussen de twee. Het laatste deel, veel lichter, staat dan voor zijn verse start met Alice.
Vaak zijn dit soort interpretaties vergezocht, maar in dit geval beaamde Walton het tegenover een journalist; het werk zou staan voor zijn ‘eigen emotionele ervaringen indertijd’. In 1948 hertrouwde hij met Susana Gil Passo.