Toen componisten olympisch goud wonnen
In de klassieke oudheid vormde muziek een belangrijk onderdeel van de Olympische Spelen. Ook zangers kregen prijzen voor de hymnes die zij aan de atleten opdroegen. En toen de Fransman Pierre de Coubertin de Griekse traditie eind negentiende eeuw weer leven inblies, wenste hij dat de nieuwe olympische beweging niet alleen een strijd van lichamen, maar ook van geesten zou worden. De kunsten hoorden er, wat hem betrof, ook bij. Muziek, literatuur, schilderen, beeldhouwen en architectuur stonden in 1912 in Stockholm voor het eerst op het programma. De vergeten Italiaan Ricardo Barthelemy won goud in compositie. Maar er deed zich bij deze kunstwedstrijden een groot probleem voor. Afgezien van de jurering gold – net als in de sport – dat de deelnemers amateurs moesten zijn. Het betekende dat de grote namen uit de muziek niet meededen. Voor sport was dat niet zo’n probleem, maar voor de kunsten wel. De enige componist van naam die een olympische medaille won, was de Tsjech Josef Suk, schoonzoon van Antonín Dvořák en opa van de violist Josef Suk. Hij won zilver in Los Angeles in 1932 voor zijn mars In een nieuw leven. Coubertins idee was nobel, maar het bleef kwakkelen met de kunsten op de Olympische Spelen. En dus werden ze na de Tweede Wereldoorlog geschrapt.