Purcells Dido and Aeneas leerde van de operawetten die zich op het vasteland en vooral in Italië en Frankrijk ontwikkelden – de zangvormen, de mythologische thema’s, het integreren van dans – maar op één belangrijk punt wijkt de componist af: het tragische slot. In de barok kende elke opera een happy end, in de begintijd omdat het genre de huwelijken en feestelijkheden van de adel opsmukte, later om de bezoekers met een morele les te bewapenen. Niemand ging naar opera om neerslachtig thuis te komen, om een held ten onder te zien gaan. Het leidde aan het slot vaak tot gekunstelde en ongeloofwaardige wendingen, bijvoorbeeld in de meest gebruikte mythe van Orpheus, de musicus die zijn gestorven geliefde Eurydice door zijn mooie gezangen uit de onderwereld bevrijdt, maar haar voor een tweede keer verliest als hij – tegen het bevel van de goden in – bij de tocht naar boven naar haar omkijkt. Dit verhaal was de belangrijkste inspiratiebron voor componisten uit de begintijd van de opera. En allemaal moesten ze een vreemde truc verzinnen om het verhaal richting een gelukkig einde te sturen.