Componist Bohuslav Martinů

Bohuslav Martinů

Van een jeugd hoog in een kerktoren tot een internationale carrière: de Tsjechische componist Bohuslav Martinů was altijd op zoek naar ruimte en nieuwe klanken. Zijn loopbaan voerde hem van Praag naar Parijs en uiteindelijk naar de Verenigde Staten. Onderweg verzamelde hij invloeden van impressionisme, neoclassicisme en jazz, die samenkwamen in zijn energieke, eigen stijl. Zijn zes symfonieën behoren tot de spannendste van de twintigste eeuw.

Bohuslav Martinů, eeuwig op zoek naar ruimte

De componist Bohuslav Martinů (1890-1959) bracht een groot deel van zijn jeugd door boven in een kerktoren in Polička, op de grens van Bohemen en Moravië. Zijn vader was koster en had de taak om uit te kijken naar branden die in het kleine stadje konden uitbreken. Vanuit de woning van het gezin zag Martinů ‘alles in het klein: kleine huizen, kleine mensen, en daarboven een enorme, onmetelijke ruimte’. Die ruimte, zei hij later, was ‘iets waar ik in mijn werk steeds naar op zoek ben’.

Op zijn zevende begon Martinů met vioollessen, en al snel bleek zijn talent zo groot dat hij een beurs kreeg van de gemeenteraad van Polička. Daardoor kon hij naar het conservatorium in Praag. Maar eenmaal daar aangekomen, bleek hij geen bijzonder ijverige student. Hij werd beschuldigd van laksheid en in 1910 zelfs weggestuurd wegens ‘onverbeterlijke nalatigheid’. Opvallend genoeg viel zijn vertrek samen met zijn eerste grote stroom composities.

Franse invloeden

In hetzelfde jaar als zijn vertrek van het conservatorium schreef Martinů veertien liederen, allerlei pianostukken, en de orkestwerken De dood van Tintagiles en De engel des doods. Toch kon hij nog niet van het componeren leven. Om een officieel beroep te hebben, deed hij in 1912 staatsexamen als docent, dat hij met succes aflegde. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Polička, waar hij enkele jaren lesgaf.

Zijn werk als docent – en het feit dat hij niet in militaire dienst hoefde – gaf hem de ruimte om zich op componeren te richten. Veel muziek uit deze periode is nog nauwelijks uitgevoerd, laat staan opgenomen, maar laat duidelijk Franse invloeden horen, vooral die van Debussy. Zijn verhuizing naar Parijs in 1923 betekende dan ook het begin van zijn internationale carrière.

Ritmische energie en jazz

In Parijs zocht Martinů componist Albert Roussel op, bij wie hij privélessen volgde. Ook het neoclassicisme van Stravinsky had een grote invloed op zijn stijl. Martinů verruilde zijn zachte, impressionistische klankkleuren voor een transparantere orkeststijl, met een krachtige, ritmische energie. De neoklassieke stroming keek terug naar de barok als voorbeeld van helderheid in vorm en structuur, en Martinů voelde zich vooral aangetrokken tot de vorm van het concerto grosso, waarbij een kleine groep solisten en het volle orkest elkaar afwisselen.

In de late jaren twintig en vroege jaren dertig speelde ook jazz een belangrijke rol in Martinů’s muziek. Zijn werken werden steeds vaker uitgevoerd en uitgegeven. Een van zijn belangrijkste prestaties uit deze periode is de surrealistische opera Julietta (1936-37). Het verhaal draait om een terugkerende droom van de hoofdpersoon Michel. Martinů weet droom en werkelijkheid zo overtuigend met elkaar te verweven dat zowel de hoofdpersoon als het publiek moeite heeft om ze uit elkaar te houden.

Vluchten voor de nazi’s

Vanuit Parijs moest Martinů machteloos toezien hoe zijn vaderland in 1938 door de nazi’s werd bezet. Zijn gespannen concerto voor twee strijkorkesten, piano en pauken, voltooid op de dag van het Verdrag van München, weerspiegelt die onrustige tijd. Een jaar later schreef hij, als teken van solidariteit met zijn land, de Veldmis, ook wel Soldatenmis genoemd, voor de vrije Tsjechische troepen in Parijs. In 1940, toen de Duitsers oprukten richting Parijs, sloegen hij en zijn vrouw Charlotte op de vlucht. Na maanden onderweg te zijn geweest, konden ze in maart 1941 vanuit Lissabon naar New York vertrekken.

Inmiddels had Martinů zijn volwassen stijl volledig ontwikkeld. Zijn muziek kenmerkt zich door een sterke, voortstuwende energie, gebaseerd op de bijna minimalistische herhaling van korte ritmische motieven, gecombineerd met een lyrische melodiek en een indrukwekkend gevoel voor schaal. In de Verenigde Staten werd hij al snel erkend als een belangrijk componist. De opdrachten stroomden binnen, en hij kon ze zonder al te veel moeite op tijd afronden. Een van die opdrachten, het Concerto Grosso (1937) voor Serge Koussevitzky en het Boston Symphony Orchestra, werd een groot succes. Dit leidde tot een nieuwe opdracht: zijn Eerste symfonie, die in 1942 in première ging.

Bijna fataal ongeluk

Die Eerste symfonie leek iets los te maken bij Martinů, want er volgden nog vier symfonieën, elk in een tempo van ongeveer één per jaar. Dit hield zijn naam levend bij het Amerikaanse publiek en leverde nieuwe opdrachten op, zowel voor kleinere als grotere werken. Ook zijn kamermuziekproductie groeide in deze jaren aanzienlijk. Tegelijkertijd kreeg hij steeds meer bekendheid als docent. Maar tijdens zijn werk aan de Berkshire Music School in 1946 kreeg hij een bijna fataal ongeluk: hij viel van een balkon op de eerste verdieping, wat hem blijvende problemen met gehoor en evenwicht bezorgde.

Toen de communisten in 1948 de macht grepen in Tsjechoslowakije, besefte Martinů dat hij waarschijnlijk nooit meer naar huis zou kunnen terugkeren. Hij nam een professoraat aan de universiteit van Princeton, waar hij tot 1951 bleef. Hoewel hij in 1952 de Amerikaanse nationaliteit kreeg, keerde hij in 1953 met Charlotte terug naar Europa, waar ze zich in Frankrijk vestigden. In datzelfde jaar voltooide hij zijn zesde en laatste symfonie. Daarna volgden nog twee quasi-symfonische werken: de triptieken De fresco’s van Piero della Francesca (1955) en De parabelen (1958).

Eeuwige banneling

In zijn laatste levensjaren reisde Martinů veel tussen Frankrijk, Italië en Zwitserland. In Zwitserland werd hij herhaaldelijk gastvrij ontvangen door dirigent Paul Sacher. Gelukkig belemmerde dit zijn werk niet. In 1954 componeerde hij de opera Mirandolina en zijn enige pianosonate. Een jaar later schreef hij het indrukwekkende oratorium Gilgamesh en een hoboconcert. Zijn laatste compositie was De profetie van Jesajah (1959).

In zijn gedachten keerde Martinů uiteindelijk toch terug naar Tsjechoslowakije vóór zijn dood. Hij schreef een reeks betoverende koorwerken bij De opening van de bronnen van de dichter Miroslav Bureš, waarin hij de tradities oproept waarmee hij was opgegroeid. Martinů, de eeuwige banneling, had zo zijn eigen manier gevonden om thuis te komen.


3 redenen om in de 6 symfonieën Martinů te duiken

1. Martinů’s muziek zit vol met Boheemse kleuren. Net als bij zijn landgenoot Antonín Dvořák hoor je allerlei volksmelodieën terug.

2. Poëtische lyriek? Epische tragedie? Bij Martinů krijg je beide in royale dosis. Alleen al dat uitbundige openingsdeel van de Vierde!

3. Zijn eerste 5 symfonieën schreef hij in New York. En zo klinkt de muziek ook: als een metropool waarin overal en altijd iets gebeurt. Martinů trekt je in een klanktrein die alsmaar voortdendert. Ondertussen speelt hij een spel met je ritmegevoel, waarbij hij je steeds op het verkeerde been probeert te zetten.

Martinů componeerde zo een van de interessantste symfonische cycli van de 20e eeuw. De Bamberger Symphoniker o.l.v. Jakub Hrůša vinden hun oorsprong in Martinů’s thuisland en weten de energie van zijn werken als geen ander te vangen.

> Bestel op cd bij Platenzaak