Instrument Fagot

Vanaf een afstandje is het misschien wel het eenvoudigst herkenbare instrument van de houtblazers in een orkest. Het karakteristieke roodbruingelakte hout steekt met gemak enkele tientallen centimeters uit boven de muzikanten in de rij ervoor. Toch is de fagot niet het bekendste instrument van een klassiek symfonieorkest. Dat is jammer, want stiekem is de geschiedenis van de fagot zo rijk als zijn spectrum aan klankkleuren.

Fagot

De naam ‘fagot’, van het Italiaanse ‘fagotto’ dat letterlijk ‘takkenbundel’ betekent, werd in de 16e eeuw voor het eerst in Italië gebruikt. Het instrument dat bedoeld werd, was een houten blaasinstrument met een dubbel riet, dat algemener bekend stond als een ‘dulciaan’. Deze dulciaan bestond, zoals veel instrumenten in de Renaissance, in een ‘familie’: er waren meerdere formaten, van groot (laag) naar klein (hoog), voor een zo groot mogelijk bereik. De laagste dulcianen ontwikkelden zich (via een lange reis langs landen en bouwers) tot de moderne fagot. Vanaf de 18e eeuw is de fagot in het symfonieorkest als versterking van de bas niet meer weg te denken.

De moderne fagot is in staande positie iets minder dan anderhalve meter hoog en bestaat uit een ‘dubbelgevouwen’ buis, die vanaf het mondstuk eerst helemaal naar beneden loopt, om daar met een bocht van bijna 180 graden in een rechte lijn uit te lopen naar de top. Was de buis niet gevouwen, dan zou de fagot ruim tweeënhalve meter lang zijn. In verreweg de meeste klassieke muziek vervult de fagot de rol van tenor of bas. Bijzonder aan de fagot is het grote verschil in klankkleur tussen de lage en de hoge tonen. Hoe lager de fagottist speelt, hoe ‘grover’ en ‘ruisiger’ het instrument klinkt, wat je een ‘warme’ klank zou kunnen noemen. Naarmate de toonhoogte stijgt, wordt de klank gladder en doordringender; volgens sommigen zelfs meer als een menselijke stem. Naast de gewone fagot bestaat ook de contrafagot. Doordat de buis van de contrafagot ruim twee keer zo lang is, klinkt de contrafagot precies een octaaf lager.

Werken

Hoewel de dulciaan in een groter geheel meestal gebruikt werd als versterking van de baspartij, componeerde de Spaanse componist Bartolomé de Selma y Salaverde al in 1638 dit allereerste solowerk:

Een harde overgang van de dulciaan naar de fagot is er niet geweest. Vanaf het eind van de 17e eeuw hebben ze lang naast elkaar bestaan. Dat de fagot langzaam aan terrein won, en ook een steeds belangrijkere klank in muziek kreeg toegeschreven, wordt erg duidelijk met de maar liefst 39 fagotconcerten die Antonio Vivaldi componeerde (alleen voor viool schreef hij er meer):

Dat fagottisten door ontwikkelingen in het instrument en in de speeltechniek een steeds groter expressief bereik kregen, hoor je al goed bij een jonge Mozart. In 1774, Mozart was 18, componeerde hij een fagotconcert dat nog steeds als een belangrijk onderdeel van het fagotrepertoire wordt beschouwd.

Een van de meest iconische fagotsolo’s hoor je in de Le Sacre du Printemps, een ballet op muziek van Igor Stravinsky. Dit ballet, dat bij zijn première in 1913 de traditionele ballet- en muziekwereld op zijn grondvesten deed schudden, zet de toon al helemaal aan het begin met een reeks buitengewoon hoge noten voor een fagot. Zo buitengewoon zelfs dat collegacomponist Camille Saint-Saëns, aanwezig bij de première, boos de zaal uitgelopen schijnt te zijn nadat iemand hem moest vertellen dat wat ze gehoord hadden een fagot was geweest:

Later in de 19e eeuw en tijdens de 20e en 21e eeuw worden er steeds meer solistische stukken voor fagot gecomponeerd. In deze tijd verkennen componisten steeds vaker de uiterste mogelijkheden van een instrument.


Lees en luister ook